English
Het Woord voor De Week
April 2016 (4)
Titels en salarissen voor gemeenteleiders - Zac Poonen
(Titles and Salaries for Church Leaders)

Titels

“U mag zich geen rabbi laten noemen, want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en u bent allen broeders. En u mag niemand op de aarde uw vader noemen, want Eén is uw Vader, namelijk Hij Die in de hemelen is. En u mag niet meesters genoemd worden, want Eén is uw Meester, namelijk Christus. Maar de belangrijkste van u zal uw dienaar zijn. En wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden; en wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden.” (Mattheüs 23:8-12).

De opdracht van Jezus, zoals hierboven weergegeven, is duidelijk. Leiders in de gemeente moeten zichzelf nooit voorzien van titels. Zij behoren “broeders” te zijn, net als alle andere broeders in de gemeente. De reden dat veel gemeenteleiders titels voor hun naam plaatsen is om zichzelf op een hogere positie te plaatsen in vergelijking met de overige gemeenteleden. In de gemeente is Jezus echter de enige die het recht heeft om zichzelf te verhogen als Hoofd en Heere. Elke verhoging van het eigen ik – door namen te gebruiken als eerwaarde, bisschop, dominee, apostel, profeet, paus, kardinaal, pastor, pastoor enz. – is om de competitie aan te gaan met Christus om erkenning te krijgen in de gemeente. “Jezus zei dat alleen zij die trouw zijn in de omgang met geldzaken, de ware rijkdom van goddelijke openbaring door de Heere zullen ontvangen”. Een gemeenteleider moet “een dienaar” zijn. (Mattheüs 23:11).

Geldzaken

Voltijds christelijke werkers en gemeenteleiders moeten het voorbeeld van Jezus volgen in hun omgang met financiën – Hij was ook vier en een half jaar voltijd werkzaam in Zijn bediening; Jezus heeft in die hele periode nooit één keer iets gezegd over Zijn financiële behoeftes. Hij hield nooit reclamecampagnes voor Zijn bediening en verzond nooit rapporten over Zijn werk (want dat zou indirect bedelen om geld betekenen). Zijn Vader sprak enkelen eropaan om aan Jezus op vrijwillige basis giften te geven en Jezus accepteerde deze, want Hij moest ook voorzien in de dagelijkse behoefte van Zijn 12 discipelen en hun gezinnen. Het feit dat Jezus een penningmeester (Judas) nodig had om dat geld te beheren en het feit dat Judas van dit geld kon stelen zonder dat iemand het merkte, geeft aan dat er een behoorlijk bedrag aan geld in de kas aanwezig moet zijn geweest. In Lukas 8 vers 2 en 3 staat: “Sommige vrouwen die van boze geesten en ziekten genezen waren, namelijk Maria, die Magdalena genoemd werd, van wie zeven demonen uitgegaan waren, en Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en Susanna en vele anderen, die Hem dienden uit hun eigen bezittingen”, en Jezus nam hun giften aan. Jezus was echter erg voorzichtig in hoe Hij het geld uitgaf dat Hij ontving. Hij gebruikte het meestal voor twee doeleinden (zoals blijkt uit de hint in Johannes 13:29); “(1) Koop wat noodzakelijk is; en (2) Geef aan de armen”.

Dit is het voorbeeld wat wij ook moeten volgen – in onze huizen en in onze gemeentes. Verspil geen geld aan onnodige luxe dingen, maar besteed het alleen daar waar het nodig is. En vergeet niet om van uw overvloed te delen met arme medegelovigen die in nood zijn. Wanneer u fulltime werkzaam bent in een bediening en wanneer God u voorziet vanuit privé giften om van te leven, zorg er dan voor dat u van geen enkel kerkgenootschap afhankelijk wordt om u te onderhouden. Voorzie in uw eigen behoefte en dien de Heere. In 1 Timotheüs 5:17-18 zegt Paulus: “Oudsten die goed leiding geven moeten dubbel worden beloond, vooral degenen die zich veel moeite geven voor de prediking en het onderricht. De Schrift zegt immers: ‘U mag een dorsend rund niet muilkorven’ en ‘De arbeider is zijn loon waard’ ”. Paulus spreekt hier niet over “geld” maar over “beloning”. Wanneer hier gerefereerd zou worden naar geld, dan zou dit betekenen dat God opdracht geeft dat oudsten het dubbele bedrag zouden moeten ontvangen van hetgeen de anderen in de gemeente zouden krijgen. Dit is belachelijk en duidelijk niet dat wat de Heilige Geest hier bedoeld. Paulus spreekt hier over het geven van een dubbele beloning (waardering en respect) aan de oudsten in de gemeente. Wij behoren de oudsten te belonen op de wijze waarop het een os is geoorloofd om van het koren te eten wat hij aan het dorsen is. Het loon van de oudste is in eerste instantie “respect, waardering en erkenning of dankbaarheid” van zijn kudde en niet geld.

Pauls spreekt in 1 Korintiërs 9:18 over financiële ondersteuning voor voltijd christelijke werkers: “Wie dient ooit in het leger en betaalt zijn eigen soldij? Wie plant een wijngaard en eet niet van zijn vrucht? Of wie weidt een kudde en voedt zich niet met de melk van de kudde? Als wij bij u het geestelijke gezaaid hebben, is het dan te veel als wij van u het stoffelijke oogsten? Zo heeft de Heere ook met het oog op hen die het Evangelie verkondigen, opgedragen dat zij van het Evangelie leven”. Dus, er is niets op tegen voor een voltijd christelijke prediker en oudsten om giften te ontvangen van hen aan wie zij dienstbaar zijn.

Paulus zegt echter in dezelfde passage: “We hebben echter geen gebruik gemaakt van onze rechten; integendeel, we verdragen alles, omdat we de verkondiging van het evangelie van Christus niets in de weg willen leggen. U weet toch dat wie in de tempel dienst doen daarvan leven. Maar ik heb van geen van deze rechten ooit gebruik gemaakt. Ik zou liever sterven. Geen mens zal me deze roem ontnemen. Dat ik verkondig is niet iets om me op te laten voorstaan. Ik kan niet anders, en het zou me slecht vergaan als ik het niet zou doen. Als ik het uit eigen beweging zou doen, zou ik recht op betaling hebben. Maar ik doe het niet uit vrije wil; deze opdracht is mij toevertrouwd. Wat is nu mijn loon? Dat ik het evangelie verkondig zonder er iets voor terug te vragen en dus geen gebruik maak van de rechten die de verkondiging mij geeft”.

Paulus verkondigde het evangelie niet met de verwachting dat hij ervoor betaald zou worden en ook niet dat hij van andere gelovigen giften hiervoor zou ontvangen. Hij predikte omdat hij gedrongen werd door zijn “liefde voor Christus” en omdat God hem het rentmeesterschap van het evangelie had toevertrouwd. Dus wilde hij het evangelie om niet verkondigen zodat niemand de indruk zou kunnen krijgen dat God mensen laat betalen voor de blijde boodschap. Het nieuwe Testament leert ons dus dat iedere dienaar van de Heere, die werkzaam is in een bediening van de Heere, het recht heeft om giften te ontvangen voor zijn diensten, maar op hetzelfde moment zien wij dat:

(1) Niemand een regelmatig maandelijks salaris ontving. Jezus heeft Zijn discipelen nooit een salaris toegezegd. De apostelen hebben nooit een salaris ontvangen. Zij vertrouwden op hun Hemelse Vader dat Hij in de harten van mensen zal werken om hen financieel te ondersteunen (net als bij Jezus). Dit geloofsleven was essentieel voor hen om krachtig te kunnen zijn in hun bediening. Bovendien werden zij hierdoor behoedt voor hebzucht.

(2) In situaties waarin Paulus zag dat deze ondersteuning werd misbruikt door predikers, nam hij van niemand geld aan, maar zorgde hij voor zichzelf om op die wijze het evangelie dat hij verkondigde te beschermen. In 2 Korintiërs 11:7-13 zegt hij: “Heb ik er verkeerd aan gedaan u het goede nieuws van God te brengen, zonder er iets voor te vragen?... Om dat te kunnen doen, heb ik andere gemeenten ‘beroofd’ door de vergoeding aan te nemen die zij mij gaven. Toen ik gebrek had, heb ik u niets gevraagd, want de broeders die uit Macedonië kwamen, hebben in mijn nood voorzien. U heb ik nooit om geld voor mijzelf gevraagd en ik zal dat ook nooit doen. Zo zeker als Christus leeft, zo zeker zal ik dit overal vertellen.

Ik zal dat doen om bepaalde mensen de kans te ontnemen te beweren dat zij net zo voor God werken als wij. Die mannen werken helemaal niet voor God! Zij zijn niet door Hem gestuurd. Het zijn huichelaars, die u hebben wijsgemaakt dat zij apostelen van Christus zijn. (HB-parafrase)”.

Wij kunnen dus zien dat Paulus giften ontving, bijvoorbeeld van de christenen in Macedonië (Filippi) die hem af en toe geld toezonden. Hij nam echter nooit geld aan van de christenen in Korinthe (zoals wij hiervoor kunnen lezen) omdat hij wilde laten zien dat hij anders was dan de namaak christelijk predikers in Korinthe. Paulus nam ook geen geld aan van de christenen in Thessaloniki: Hij zegt hierover in 2 Thessalonicenzen 3:8-10: “Wij hebben bij niemand brood gegeten voor niets, maar met inspanning en moeite werkten wij nacht en dag om niemand van u tot last te zijn. Niet dat wij de bevoegdheid niet hebben, maar wij handelden zo opdat wij onszelf voor u tot een voorbeeld zouden stellen om ons na te volgen”.

Paulus nam ook geen geld aan van de christenen in Efeze. Hij zegt in Handelingen 20:31-35: “Ik heb niemands zilver of goud of kleding verlangd. En u weet zelf dat deze handen dienst hebben gedaan om te voorzien in mijn behoeften, en voor hen die bij mij waren. Ik heb u in alles laten zien dat men, door zo te arbeiden, het moet opnemen voor de zwakken en de woorden van de Heere Jezus in herinnering moet houden, namelijk dat Hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen”. Het is dus goed om de situatie waar u in zit, door onderscheidingsvermogen goed te kunnen inschatten – in dit tijdperk in uw omgeving – en te bepalen welke standpunt u moet innemen om in uw situatie een zuivere getuige voor de Heere te kunnen zijn.

In alle van de tientallen CFC-gemeentes die de Heere heeft geplant, voorziet ieder van de meer dan honderd oudsten zichzelf en zijn familie in zijn levensbehoefte – en niet een van hen ontvangt een salaris. Dit principe heeft 40 jaar lang in onze gemeentes perfect gewerkt zowel in de rijkere stadsgemeentes als in de armere dorpsgemeentes in India. Het heeft er ook voor gezorgd dat wij niet geïnfiltreerd zijn met geldzuchtige predikers die bijbelteksten citeren en proberen te leven uit de zakken andere christenen. Bijna alle voorgangers (pastors/dominees) in de kerken in de wereld krijgen een maandelijks salaris uitbetaald. Wij veroordelen hen niet en wij zeggen niet tegen hen dat zij moeten stoppen met het ontvangen hun salaris. Wat wij willen zeggen is dat wanneer zij een functie in een gemeente hebben geaccepteerd vanwege de hoogte van het inkomen dat de gemeente hen aangeboden heeft en niet vanwege een duidelijke roeping van God, dan handelen zij niet naar Gods wil. Wanneer u besluit om een salaris te accepteren, dan moet u dit aannemen als een vrijwillige bijdrage of gift wat u door de gemeente wordt gegeven en niet als salaris. Het verschil tussen een salaris en een gift is als volgt: Een salaris kan opgeëist worden en een loonsverhoging kan worden afgedwongen, maar een gift kan nooit worden opgeëist of van worden verwacht dat men er recht op heeft. Dit was de instelling waar de apostelen, in de nieuwe testamentische tijd, voor hebben gekozen met betrekking tot financiële aangelegenheden. Het christendom is ver van dit principe afgedwaald. Het gevolg van dit falen in financiële aangelegenheden is dat vandaag de dag Gods zalving en geestelijk inzicht in veel christelijke bedieningen niet aanwezig is. Er is vandaag bij de meeste voorgangers in veel gemeentes weinig goddelijke openbaring. Jezus heeft gezegd dat alleen aan hen die eerlijk met geld omgaan, de ware rijkdom van goddelijke openbaring gegeven zal worden. (Lukas 16:11).

Wij moeten ook opletten van wie wij geld ontvangen. Wij moeten niet van ieder gelovige zonder meer geld aannemen. Hier volgt een opsomming van hen van wie wij geen geld moeten aannemen:

Wij moeten geen geld aannemen van hen die geen wederom geboren kinderen van God zijn. Het is een groot goed en voorrecht om het werk voor God op aarde te ondersteunen, maar dit voorrecht is alleen gegeven aan Zijn wederom geboren kinderen (3 Johannes 7).

Wij moeten geen geld aannemen van hen die niet voldoende hebben voor de behoeftes van hun eigen gezin. Zij moeten eerste in hun levensbehoeftes voorzien (zoals wij dat kunnen lezen 1 Timotheüs 5:8 en Markus 7:9-13). Onze Hemelse Vader is multi-trillionair. Net als iedere aardse vader wil Hij niet dat een van Zijn kinderen omkomt van honger of financieel in de problemen komt doordat zij geld voor Zijn werk geven.

Wij moeten ook geen geld aannemen van hen die schulden moeten aflossen. God wil dat wij een rustig leven hebben vrij van alle schulden. Zulke gelovigen moeten “eerst aan Cesar geven wat van de Cesar is en alleen daarna iets aan God geven” God wil niets van het geld wat van Cesar is of geld wat van iemand anders is (Mattheüs 22:21; Romeinen 13:8). (Binnen de context van dit vers hoeft een hypotheek niet gezien te worden als een schuld, omdat normaal gesproken het onderpand als tegenwaarde geld ten opzichte van de lening. Hetzelfde kan gelden voor een lening voor een auto, waarbij het voertuig als dekking geld voor de lening – wanneer de auto voor dezelfde tegenwaarde verzekerd is).

Wij moeten ook geen geld aannemen van hen die zich niet herenigd of in orde gemaakt hebben met hen die zij iets pijnlijks hebben aangedaan (Zie Mattheüs 5:23-24).

Wij moeten ook geen geld aannemen van hen die met tegenzin geven of van hen die hierdoor van God een tegenprestatie verwachten omdat zij iets gegeven hebben. God heeft blijde gevers lief en dat moet ook voor ons gelden (2 Korintiërs 9:7).

U kunt over dit onderwerp nog meer lezen op de website van CFC: http://www.cfcindia.com/our-financial-policy

Wij veroordelen andere kerken en gemeentes niet die dingen op een andere wijze doen, maar in de CFC-gemeentes zijn wij constant op zoek om de waarden die de Heere in Zijn Woord weergeeft strikt te handhaven.

Wie oren heeft om te horen, die hore.

   
Index | Contact

© Copyright - Christian Fellowship Church , Bangalore. (INDIA)