|
We zullen nooit de vreugde kunnen smaken van de bevrijding van ons zelfleven
(ons ik-gerichte leven) voordat we iets gaan zien van de totale verdorvenheid
hiervan. Laten we de oudste zoon beschouwen (in de gelijkenis in Lukas 15), want
hij is, dan wie dan ook, wellicht het beste voorbeeld in de Bijbel van de
totale verdorvenheid van ons zelfleven. De jongste zoon in de gelijkenis wordt
doorgaans beschouwd als de slechtste van de twee jongens. Maar als we wat beter
de oudste zoon beschouwen, zullen we ontdekken dat hij net zo slecht was in de
ogen van God, zoniet slechter. Het is waar dat hij niet de zonde deed, waarin
zijn jongere broer viel. Maar zijn hart was verkeerd en zelf-gericht.
Het menselijk hart is in de grondslag in ieder individu hetzelfde. Als de Bijbel
het menselijk hart beschrijft als arglistig boven alles en verderfelijk (Jer.
17:9), dan verwijst het naar ieder kind van Adam. De beschaving in de
maatschappij, bewaring tegen de zonde en een beschermde opvoeding mogen ons voor
de grove zonde bewaard hebben waarin anderen zijn gevallen. Maar we kunnen ons
daarom niet beschouwen als beter dan anderen. Want als wij aan dezelfde
aandrang bloot gesteld waren als zij, zouden uiteindelijk ook wij ongetwijfeld
dezelfde zonden hebben gedaan. Het kan een vernederend feit voor ons zijn dit
te erkennen, maar het is de waarheid. Hoe eerder wij dit feit onder ogen zien,
hoe eerder we bevrijding kunnen ervaren. Paulus erkende dat er geen goed woonde
in zijn vlees (Rom. 8:17). Dat was zijn eerste stap tot vrijmaking (Rom. 8:2).
Mensen beoordelen de buitenkant en noemen sommigen goed en anderen slecht. Maar
God ziet het hart aan en ziet alle mensen in dezelfde staat. De Bijbel leert ons
de totale verdorvenheid van alle mensen. Zie Romeinen 3:10-12 bijvoorbeeld: "Er
is niemand rechtvaardig (en in het geval dat wij hier denken aan een overdrijving,
gaat het als volgt verder), ook niet één, er is niemand die verstandig is, er
is niemand die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij nutteloos
geworden. Er is niemand die goed doet, er is er zelfs niet één". Romeinen 3:10-20
somt de schuld van het menselijk geslacht op - zowel van de niet-religieuze als
de religieuze mens. In Romeinen 1:18-32 vinden we een beschrijving van de
"jongste zoon" - naar het zichtbare de immorele en goddeloze mens. In Romeinen
2 vinden we het portret van de "oudste zoon" - de religieuze mens die net zo'n
grote zondaar is. Na deze twee categorieën mensen beschreven te hebben, vat de
Heilige Geest de zaak samen door aan te duiden dat beide groepen even schuldig
zijn. Er is geen verschil tussen de één of de andere. De mens is waarlijk totaal
verdorven; en als God zich niet neerbuigt en iets doet voor de mens, is er zeer
zeker geen hoop.
De oudste zoon (Lukas 15:25-32) kan gesymboliseerd worden als een christelijk
werker. Als de vader in het verhaal een afbeelding van God is, dan is het
legitiem om deze zoon te beschouwen als een type van een actief christen - want
we zien hem in de gelijkenis thuis komen na een dag van werk op het land van
zijn vader. Hier hebben we geen luie, jonge man, die thuis zit en de rijkdommen
van zijn vader geniet. Hier zien we iemand die hard werkte voor zijn vader, één
die het ons doet voorkomen dat hij zijn vader meer liefhad dan zijn jongere
broer - want uiteindelijk heeft hij niet het ouderlijk huis verlaten en de
rijkdommen van zijn vader verkwist, zoals de jongste zoon. Hij lijkt meer
toegewijd, maar tegelijkertijd, zoals we zullen zien, net zo zelfzuchtig als
zijn jongere broer. Het is het beeld van een gelovige die actief is in het werk
van de Heere, ogenschijnlijk vol toewijding, maar waar alles nog draait om
hemzelf.
God schiep deze wereld met ingebouwde wetmatigheden. Als deze wetten overtreden
worden, resulteert dat, in welke vorm dan ook, in verlies of schade. Denk
bijvoorbeeld aan één van deze wetten: God stelde het zo in dat de aarde rondom
de zon draait. Stelt u zich voor dat de aarde een eigen wil had en op een dag
besloot dat hij de zon niet langer als zijn middelpunt wilde hebben, maar alleen
om zijn eigen as zou draaien. Dan zou daar geen afwisseling van seizoenen meer
zijn en al snel zou het leven op aarde vergaan. Dood zou dan rondgrijpen. Op
dezelfde wijze was Adam geschapen om zijn middelpunt te hebben in God. De dag
dat Hij weigerde God als zijn Middelpunt te hebben en koos om zichzelf tot
middelpunt te verheffen - dit is de betekenis van zijn keuze om van de boom te
eten die God verboden had - stierf hij, zoals God hem gezegd had.
Hierin ligt een les voor ons: in de mate waarin ons christelijk leven en dienst
gecentreerd zijn in onszelf, is de mate waarin wij geestelijke doodsheid zullen
ervaren - ondanks het feit dat we wederom geboren zijn en ons fundamentalisme.
En geheel onbewust, zullen we ook geestelijke doodsheid naar andere bedienen.
We kunnen een reputatie hebben als een goede en ijverige werker voor de Vader
(zoals de oudste zoon misschien genoot), maar toch nog steeds de vermaning van
de Heere nodig hebben: "Ik weet dat u de naam hebt dat u een levende en actieve
(christen) bent, maar u bent dood" (Openbaring 3:1, Engelse LB-vertaling). Dit
is een tragische maar reëel gevaar in christelijk werk. Menig christelijk werker
leeft voor de reputatie die hij voor zichzelf opgebouwd heeft. Terwijl anderen
tegen hem opkijken, is hij vaak onwetend van het feit, dat God hem in een totaal
ander licht ziet. Terwijl hij zelf nooit vrijgemaakt is van zelf-gerichtheid is
hij onmachtig om anderen daarvan te bevrijden - zelfs als hij heel mooi kan
spreken! En zo komt er een waarschuwing tot ons door het verhaal van de oudste
zoon.
God staat vaak moeilijke tijden in ons leven toe, opdat we ons corrupte
zelfleven gaan ontdekken, zodat we onszelf leren zien zoals we werkelijk zijn.
Het is relatief gemakkelijk om ons als geestelijk te beschouwen als onze
omstandigheden makkelijk zijn. Als er geen problemen zijn om op te lossen,
niemand die ons irriteert, als alles van een leien dakje gaat en er een
vriendschappelijke sfeer heerst onder onze medewerkers, kunnen we onszelf
misleiden over de ware toestand van ons hart. Wacht totdat we medewerkers
hebben die ons irriteren, of een buurman die ons voortdurend ergert, en het
laklaagje van onze geestelijkheid verdwijnt. Ons zelfleven openbaart zich dan
in al zijn lelijkheid.
Dit is wat de oudste zoon overkwam. Toen zijn jongere broer de eer kreeg raakte
hij van streek. Niemand had ooit gedacht dat deze oudste zoon zich zo vol
wervel zou gedragen. Hij leek al die tijd zo'n aardig persoon. Maar hij had een
dergelijke moeilijke situatie nog niet eerder onder ogen gezien. Nu werd zijn
ware aard openbaar. Het was niet deze aanleiding zelf die hem slecht maakte.
Nee. Deze situatie bracht slechts aan de oppervlakte wat er al die tijd al van
binnen zat.
Amy Carmichael heeft gezegd: "Een kopje vol met zoet water kan zelfs niet één
druppeltje bitter water morsen, als het plotseling gestoten wordt". Als er bitter
water uit ons leven en van onze lippen voortkomt, is het omdat het er al die
tijd al geweest is. Het is niet de provocatie of de irritatie dat ons bitter of
ongeestelijk maakt. Dit brengt alleen aan de oppervlakte wat er al die tijd al
bij ons van binnen zat. En daarom moet het ons met diepe dankbaar vervullen
jegens God, dat Hij zulke omstandigheden in ons leven toestaat, zodat we de
verdorvenheid van onze eigen natuur gaan zien. Als zulke omstandigheden zich
niet zouden voordoen, zouden we ons nooit realiseren dat er een bron van
verdorvenheid binnen in ons is, en dat er geen enkel goeds in ons vlees woont.
Dit leert ons ook dat onderdrukking geen overwinning is. Iemand kan in woede
uitbarsten in een lastige situatie, terwijl een ander (met een beetje meer
zelfbeheersing) in dezelfde situatie alleen van binnen kookt van woede, zonder
enig stoom te laten ontsnappen via zijn lippen! In de ogen van mensen heeft deze
tweede persoon waarschijnlijk een reputatie van nederig te zijn. Maar God die de
harten ziet, weet dat beide personen van binnen van woede kookten en beschouwt
hen beiden als even slecht. Het resultaat in hun uiterlijk gedrag was slechts
een verschil van temperament, dat er voor God niet toe doet. Als onderdrukking
overwinning zou zijn, dan lijken de verkopers de meest Christus-gelijkvormige
mensen die ik ooit ontmoet heb! Het maakt niet uit hoeveel geduld klanten van
hen vragen, ze houden een vriendelijke houding tegenover de klant, ter wille van
hun zaken - ook al koken ze van binnen! Nee, onderdrukking is geen overwinning.
God wil niet dat wij alleen voordoen alsof we vrijgemaakt en geestelijk zijn -
maar ook daadwerkelijk vrijgemaakt zijn. Paulus zei:"…niet meer mijn ik, maar
Christus leeft in mij…" (Gal. 2:20). Op dit punt wil God ons brengen.
Eindverantwoordelijke vertaling: Gerard Schröder
|