|
In Nehemia 2:1 lezen we dat Nehemia nog nooit treurig was geweest in de
tegenwoordigheid van de koning. Hij was geen sombere persoonlijkheid. De koning
had hem altijd meegemaakt als iemand die blij was. En nu was hij treurig gestemd.
Maar hij was niet treurig gestemd aangaande hemzelf of aangaande zijn familie.
Hij was bedroefd omdat Jeruzalem in rampspoed verkeerde. Oh, dat er meer van
dergelijke mensen in de kerken moge zijn vandaag de dag! De koning zei: "Uw
aangezicht staat zo somber! Dat kan niets anders dan hartzeer zijn." Nehemia
werd bevreesd. In die dagen was het gevaarlijk om af te wijken van de meningen
van de koning. Ik vind het zo mooi om de eerlijkheid hierin te zien van Nehemia
in het feit dat hij toegeeft dat hij bang was.
Vrees is niet iets wat we volledig uit ons leven kunnen weren. We zullen
gevoelens van vrees hebben zolang we hier op aarde zijn, maar we mogen nimmer
handelen uit vrees. Paulus gaf ook toe dat hij vrees had (2 Kor. 7:5). Maar hij
handelde nooit op grond van vrees. Als u op een gevaarlijke plaats bent of
wanneer u op een dag de Heere dient op een bepaalde plaats waar uw leven wordt
bedreigd - er zijn vandaag de dag velen van zulke plaatsen - zult u van nature
vrees ervaren. U hoeft zich daarover niet te schamen. Wij zijn immers mens.
Maar we moeten nooit handelen op grond van die vrees. We mogen voorzichtig zijn
en handelen met zorgvuldigheid, maar niet uit vrees. Vrees is het
tegenovergestelde van geloof, en wanneer we uit vrees handelen, handelen we in
ongeloof. Vergeet nooit dat God voor ons zorgt.
Ondanks dat Nehemia bang was, vertelde hij de koning: "Hoe zou mijn gezicht niet
somber staan, daar de stad, de plaats waar de graven mijner vaderen zijn,
verwoest is en haar poorten door vuur verteerd?" En de koning vroeg daarop:
"Wat is dan uw verzoek?" Nehemia bad snel een kort gebed (het beste wat men kan
doen in zo'n situatie) en antwoordde: "Indien het de koning goeddunkt, zendt
mij dan naar Judea om de stad te herbouwen." De koning antwoordde: "Hoe lang
zal je hiervoor weg zijn?" Een bepaalde tijd werd vastgesteld en zo werd hij
gezonden.
Hij reisde naar Jeruzalem en bleef daar bij aankomst drie dagen alleen, zonder
ergens heen te gaan - waarschijnlijk om te vasten en te bidden (Nehemia 2:11).
Toen stond hij 's nachts op en nam enkele mannen met hem mee. Hij had niemand
verteld wat God hem in zijn hart gegeven had, omdat hij wist dat er vijanden op
de loer lagen die hem het wilden verhinderen (Nehemia 2:10). Hij wist dat het
geen zin had mensen samen te brengen die geen last hadden voor Gods werk.
Daarom ging hij slechts met enkele mannen en onderzocht de muren en de poorten.
Zodra dit bekend werd begon de tegenstand, net zoals in de tijd van Ezra.
Zodra er iemand opstaat omdat hij een verlangen heeft dat de naam van Jezus
geëerd zal worden, breekt de tegenstand onmiddellijk los. De duivel is zeer
alert op zulke bewegingen onder Gods volk. Hier vinden we één reden waarom
mensen niet opstaan en helemaal voor God leven en Hem dienen. Zij zijn bang
voor de tegenstand die de duivel geeft.
Maar eigenlijk is één wijze om te weten of we in Gods wil zijn het feit dat
we ons regelmatig geconfronteerd weten door de duivel. Als de duivel u met rust
laat, kunt u er vrij zeker van zijn dat u volledig buiten de wil van God bent.
Zover het mij betreft, één van de aanwijzingen dat ik op de juiste weg ben is
dat de duivel mensen tegen mij opzet en allerlei situaties brengt die mij
proberen te hinderen. Door de hele kerkgeschiedenis heen, is dit de ervaring
geweest van diegene die zochten de Heere oprecht te dienen.
Sanballat en Tobia bespotten en verachtten de joden en zeiden: "Wat doet gij
daar? Komt gij tegen de koning in opstand?" (Nehemia 2:19). Maar Nehemia
antwoordde en zei: "De God des hemels, Hij zal het ons doen gelukken, en wij
zijn knechten, zullen ons gereedmaken en bouwen, gij echter hebt deel noch
recht noch gedachtenis in Jeruzalem."
Eindverantwoordelijke vertaling: Gerard Schröder
|